WATER

Water is heel bijzonder. We drinken het, we wassen onszelf en onze kleren ermee. We zwemmen er in. Zonder water kunnen we op aarde niet leven. We moeten er dus zuinig op zijn.
Water komt in drie vormen voor: als vloeistof, als gas (waterdamp) en als vaste stof (ijs). We gebruiken alle drie de vormen. Water bevriest bij 0 graden Celsius en kookt bij 100 graden Celsius. Stoom spuit uit een fluitketel omdat het meer ruimte inneemt dan water als vloeistof.
Als je onder water zwemt, vooral als je wat dieper duikt, voel je druk op je oren. Die druk komt door het gewicht van het water boven je. Die druk is heel groot. Op de bodem van de oceaan zou je helemaal in elkaar gedrukt worden. Duikers kunnen, als ze een goed pak hebben, tot meer dan 300 meter veilig duiken.
Of een voorwerp drijft of zinkt hangt af van de dichtheid (hoe zwaar iets is in verhouding tot de grootte) en van de vorm. Een blokje hout drijft omdat het lichter is dan water. Een blokje ijzer zinkt omdat het zwaarder is dan water.
Water heeft een gewicht. Als je iets in water legt dat zwaarder is dan water, zul je het water verplaatsen. Als je in een bad stapt, moet je eens kijken hoe hoog het water stijgt als je lichaam onder water zit. Pas op dat het bad niet overloopt.

Heb je wel eens gezien dat water in kleine ronde druppels op een pas gepoetste auto ligt? Het gewicht van het water probeert de druppels te laten uitvloeien, maar water heeft een soort elastisch vel dat de druppels bij elkaar houdt. De kracht die water bij elkaar houdt noemen we oppervlaktespanning.

Sommige diertjes gebruiken dit om over water te lopen.