Hoe werkt fotosynthese

Bij fotosynthese gebruiken planten zonlicht, water en koolstofdioxide. Dat klinkt simpel, maar het is een slim proces dat zich afspeelt in de cellen van het blad. Daar zitten bladgroenkorrels, ook wel chloroplasten genoemd, die het licht opvangen. Met die energie worden water en koolstofdioxide omgezet in glucose, een soort suiker die de plant gebruikt als brandstof.

De fotosynthese formule wordt vaak zo weergegeven
6 CO2 + 6 H2O + lichtenergie → C6H12O6 + 6 O2

Deze formule laat zien dat koolstofdioxide en water, onder invloed van licht, veranderen in glucose en zuurstof. Die zuurstof komt vrij in de lucht. Dat merk je niet direct, maar het maakt wel dat de lucht die je inademt zuurstof bevat.

Je ziet fotosynthese terug in hoe planten groeien. Zonder voldoende licht of water verloopt het proces minder goed. Dat zie je bijvoorbeeld bij kamerplanten die in een donkere hoek staan en minder snel groeien.

Waarom fotosynthese belangrijk blijft

Fotosynthese zorgt ervoor dat planten hun eigen voedsel maken en vormt daarmee de basis van veel voedselketens. Dieren eten planten en mensen eten planten of dieren die planten hebben gegeten. Zo hangt veel leven indirect samen met dit proces.

Daarnaast helpt fotosynthese bij het opnemen van koolstofdioxide uit de lucht. Dat gas komt vrij bij verbranding en ademhaling. Planten nemen het op en gebruiken het opnieuw, waardoor er een soort balans ontstaat.

Wie buiten kijkt naar bomen of gras, kijkt eigenlijk naar plekken waar fotosynthese voortdurend bezig is. Het gebeurt stil en zonder dat je het ziet, maar het effect is overal merkbaar.

Terug